Verstrekt iemand in privé aan iemand anders in privé een direct op eisbare lening, let dan goed op de rente die op de lening betaald wordt. Is de rente lager dan 6%, dan is dat volgens de wet een schenking. Bij een direct opeisbare lening van € 10.000 hoort dus een rente van € 600. Is de rente € 400, dan ontvangt degene die de rente betaalt volgens de wet een schenking van € 200. Een direct opeisbare lening werd vaak door ouders aan kinderen verstrekt.

Tot 2010 gold juist dat bij een direct opeisbare lening zonder rente geen sprake was van een schenking. Heeft het kind in 2010 een direct opeisbare renteloze lening van de ouders van € 200.000 en betaalt het kind geen rente, dan ontvangt het kind volgens de wet een schenking van € 12.000. Ontvangt het kind geen andere schenkingen van de ouders, dan moet het kind hierover € 700 schenkbelasting betalen (10% x € 12.000 minus de vrijstelling voor kinderen van € 5.000). Het kind moet hiervoor zelf aangifte doen. De regeling geldt niet alleen tussen ouders en kinderen, maar voor alle particulieren die een direct opeisbare lening hebben van een andere particulier.

Kijk dit jaar daarom nog of de direct opeisbare lening niet omgezet moet worden in een lening die niet direct opeisbaar is. De rente daarop kan gezien de huidige rente vaak lager zijn dan 4%.

De vrijstelling van schenkbelasting tot € 100.000 voor de eigen woning komt vanaf 2017 terug. Aan de vrijstelling is een aantal voorwaarden verbonden, namelijk:

  1. Degene die de schenking ontvangt is tussen 18 en 40 jaar oud
  2. De schenking wordt gebruikt voor de aanschaf of verbetering van een eigen woning of de aflossing van een eigenwoningschuld
  3. Tussen 2010 en 2014  werd van dezelfde schenker niet eerder een schenking ontvangen waarvoor een beroep is gedaan op de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning
  4. De vrijstelling geldt per schenker, ouders worden als één schenker aangemerkt
  5. In de aangifte schenkbelasting wordt een beroep op de vrijstelling gedaan

Van wie de schenking wordt ontvangen is niet van belang. De schenkers hoeven niet de vader of moeder te zijn. Zelfs geen familie.

Er geldt een ingewikkelde overgangsregeling voor schenkingen ontvangen van de ouders:

  1. Voor 2010 is al een schenking ontvangen die onder een verhoogde vrijstelling viel. In 2017 of 2018 kan dan nog gebruik worden gemaakt van een vrijstelling ter grootte van € 27.567. Maar is in 2015 of 2016 nog gebruikt gemaakt van de “inhaalvrijstelling” voor de eigen woning ad € 27.570 (2016), dan bedraagt de vrijstelling in 2017 of 2018 € 46.984.
  2. In 2015 of 2016 is een schenking ontvangen die onder de verhoogde vrijstelling viel. In 2017 of 2018 kan dan nog gebruik worden gemaakt van een vrijstelling ter grootte van € 46.984.

Tip:ouders die voor 2010 al een schenking deden die onder de verhoogde vrijstelling viel, kunnen bekijken of in 2016 nog een schenking voor de eigen woning gedaan kan worden van € 27.510. In 2017 kan dan een hogere belastingvrije schenking worden gedaan voor de eigen woning.

Tip:ouders die voor 2010, in 2015 of in 2016 al een schenking deden die onder de verhoogde vrijstelling viel, kunnen in 2017 een verhoogde belastingvrije schenking doen (€ 27.570 of € 46.984) als die wordt gebruikt voor de eigen woning.

Tip:ouder vraag advies als u in 2017 een hogere schenking wilt doen en u deed voor 2010 of in 2015 of 2016 een schenking die onder de verhoogde vrijstelling viel.

Vaak droegen ouders al tijdens hun leven de blote eigendom van de woning over aan de kinderen. De ouders hielden dan het vruchtgebruik. Op het moment dat beide ouders zijn overleden, krijgen de kinderen de volledige eigendom van de woning. Het vruchtgebruik vervalt door het overlijden. Door het overlijden wordt de woning dus meer waard. Deze waarde-aangroei wordt met successierecht belast. Tot 2010 wordt deze waarde-aangroei als volgt berekend. Uitgegaan wordt van de waarde van het huis op het moment dat het vruchtgebruik werd gevestigd (als dat lang geleden is, is dat vaak relatief laag). Hiervan mag worden afgetrokken de waarde van de bloot eigendom die destijds werd verkregen door de kinderen. Bovendien mag voor ieder jaar dat is verstreken nog eens 6% maal de waarde van het bloot eigendom worden afgetrokken. Vaak blijft er dan relatief weinig te belasten over. Zeker als het vruchtgebruik al lang geleden is gevestigd.

Vanaf 2010 mag voor de berekening van de waarde-aangroei niet meer worden uitgegaan van de waarde van de woning toen het vruchtgebruik werd gevestigd, maar moet worden uitgegaan van de waarde van de woning bij het overlijden van de langstlevende (WOZ-waarde). Dit betekent dat de belaste waarde-aangroei vanaf 2010 bijna altijd veel hoger zal zijn. Hierop is in 2011 veel kritiek gekomen.

Voor huizen waarop al voor 1 januari 2010 een vruchtgebruik is gevestigd, heeft de staatssecretaris van Financiën een overgangsregeling aangekondigd. De toename van de waarde van de woning tussen het moment dat het vruchtgebruik werd gevestigd en 1 januari 2010 wordt niet meer belast. Alleen de toename van de waarde na 1 januari 2010 wordt belast.